|
Pagina 1 van 10 Kerkgeschiedenis
Wereldlijke invloedenVóór het jaar 1795 bestond de provincie Overijssel uit de drostambten Twente, Salland en Vollenhove.
De door de Staten van de provincie aangewezen Drost had een grote macht in zijn ambtsgebied. Alhoewel de "Heerlijkheid van Almelo", waartoe ook Wierden behoorde, in het Drostambt Twente lag, bezat de Graaf van Almelo binnen zijn gebied de volledige juridische en bestuurlijke macht.
Ook op kerkelijk terrein had de heer van Almelo grote zeggenschap. Hij had het zogenoemde patronaatsrecht. Dit recht was verkregen, omdat door hem gronden werden afgestaan voor en geld werd geschonken ten behoeve van de bouw van kerken. Op grond van voormeld recht had de heer van Almelo als "unicus collator" het recht bij een vacature een nieuwe predikant te benoemen. Dit collatierecht beperkte zich niet alleen tot het beroepen van predikanten, maar betrof ook de benoeming van ouderlingen en diakenen en verdere kerkelijke medewerkers.
Voorts had de heer van Almelo het oppertoezicht op de kerkgebouwen en het beheer van de kerkelijke administratie. Toen de Fransen in het jaar 1795 ons land binnentrokken veranderde er veel aan deze machtspositie. Na de bevrijding van de Franse overheersing in het jaar 1813 volgde echter weer een gedeeltelijk herstel van de adellijke macht, waaronder ook het patronaatsrecht.
Voor zover bekend is in het jaar 1626 de eerste predikant door de heer van Almelo benoemd. Na meerdere benoemingen diende in het jaar 1790 opnieuw een beroep te worden uitgebracht. Deze predikant bleef tot zijn overlijden in het jaar 1825. Mede door de ontwikkelingen tijdens en na de Franse overheersing weigerde de kerkenraad van Wierden in het jaar 1825 echter het door de heer van Almelo uitgebrachte beroep op een nieuwe predikant "kerkelijk te maken". Het beroep werd niet erkend. Integendeel.
Er werd zelfs ten sterkste tegen geprotesteerd dat Graaf van Rechteren Limpurg het "regt van collatie der Hervormde Kerk te Wierden" zou bezitten. De kerkenraad (daarbij gesteund door vele gemeenteleden) wilde zelf overgaan "tot het doen vervullen van den predikantsplaats". Aan het classicaal bestuur in Deventer werd een verzoekschrift gezonden om voor de kerk te Wierden bij de Koning "een vrij beroep" te bepleiten, los van het collatierecht.
Aansluitend hierop schreef de Graaf ook aan de classis, om zijn beklag te doen over de houding van de Wierdense kerkenraad. De geschriften werden doorgezonden naar de Staatsraad, directeur-generaal voor zaken der Hervormde Kerk. Deze wijst vervolgens de Wierdense kerkenraad op de wettigheid van het collatierecht. De kerkenraad blijft echter weigeren het door de Graaf uitgebrachte beroep ontvankelijk te verklaren. In juli 1825 gaat een nieuwe brief naar de classis. Daarin wordt de classis verzocht te zorgen voor de voortgang in de waarneming van de dienst.
De classis weet echter niet wat zij er mee doen moet omdat "noch het Reglement op de vacatures en beroepingen, noch eenige kerkelijke wet of verordening iets bepaaldelijks voorschrijft wat er bij weigering van het kerkelijk maken van eener beroeping bij acte van collatie uitgebracht moet gebeuren".
In november 1825 wordt de classis opnieuw om optreden gevraagd. Bij dispositie van "Zijne Majesteit" van augustus 1826 wordt de kerkenraad van Wierden tenslotte te kennen gegeven, dat men zich maar moet wenden tot de gewone rechter. In februari 1827 wordt dit gedaan. In het vonnis dat de rechtbank in eerste aanleg te Almelo wijst is vermeld, dat het door de kerkenraad van Wierden betwiste collatierecht van de Graaf als wettig wordt erkend. In hoger beroep komt het Hoog Gerechtshof te Den Haag tot een zelfde vonnis en doet het appel van de kerkenraad in mei 1830 teniet. Na vijf jaren van strijd en onzekerheid komt er zo een einde aan het geschil.
Het gevolg was wel dat na zes jaren vacant zijn eerst in het jaar 1831 door de Graaf weer een predikant werd beroepen. In het jaar 1917 geeft "de Elector" aan dat de kerkenraad door hem voor wat betreft de vacature Ds. Van Luttervelt (8 predikanten hadden reeds bedankt) wordt vrijgelaten. Hem hoeft vanaf dat moment geen tweetal meer aangeboden te worden. Zodoende was Ds. Enkelaar te Tholen de eerste die te beurt viel om door de kerkenraad beroepen te worden. Uiteindelijk geeft Graaf van Rechteren Limpurg in het jaar 1923 bericht aan de kerkenraad dat hij in de eerstvolgende vacature de gemeente bij de beroeping volkomen vrijlaat.
Het einde van het collatierecht was een feit.
|
|
Laatst aangepast op maandag, 26 maart 2012 13:48 |